De informatie op deze pagina is van Marieke van Meijl met wat aanvullingen.(In blauw)
In dit hoofdstuk worden de onderwerpen behandelt die de vruchtbaarheid kunnen beïnvloeden. In de eerste paragraaf wordt de cyclus van de koe beschreven, in de tweede paragraaf worden de tussenkalftijd en de kengetallen behandeld die bij een analyse van de vruchtbaarheid op een bedrijf van belang zijn. In de derde paragraaf wordt de invloed van de veehouder beschreven. De vierde paragraaf gaat over de invloed van de gezondheid van het dier. In paragraaf vijf wordt de invloed van de huisvesting omschreven en in paragraaf zes wordt invloed van voeding beschreven.
1. Cyclus van de koe.
De koe heeft een cyclus van gemiddeld 21 dagen. Op de eerste dag is de koe tochtig. De tochtigheidssymptomen treden op, omdat de koe onder invloed van oestrogenen staat, welke worden geproduceerd in de follikels. De tocht duurt gemiddeld 18 uur. De Luteïniserend Hormoon (LH) -piek treedt zes uur na begin van de tocht op. Op de tweede dag vindt ovulatie plaats, gemiddeld 12 uur na het einde van de tocht en 24 uur na de LH-piek. Na de ovulatie ontstaat het gele lichaam uit de follikelwand en deze produceert tot de 17e en 18e dag progesteron. Vervolgens verkleint het gele lichaam onder invloed van het hormoon prostaglandine, geproduceerd in het baarmoederwand. Door de progesteron daling valt de negatieve feedback op de hypothalamus weg. Hierdoor stijgt de GnRH productie, welke de hypofyse aanzet tot de verhoogde productie van het Follikel Stimulerend Hormoon (FSH) en LH. Primair leidt het FSH tot follikelgroei en de ontstane follikels produceren weer oestrogenen, waardoor de cyclus weer opnieuw begint. (www.ivis.org)
2. Vruchtbaarheid.
In deze paragraaf worden de kengetallen behandeld die bij een analyse van de vruchtbaarheid op een bedrijf van belang zijn.
1. Tussenkalftijd
Het kengetal tussenkalftijd geeft het aantal dagen weer die tussen twee afkalvingen zit.
De tussenkalftijd geeft een eerste globale indruk van de vruchtbaarheid van het melkvee op een bedrijf. Een bedrijf moet streven naar een gemiddelde tussenkalftijd van 365 tot 390 dagen, waarbij bedrijfsomstandigheden het optimum bepalen. De tussenkalftijd is uit twee perioden opgebouwd:
De periode van afkalven tot eerste inseminatie. Deze periode wordt beïnvloed door:
-         Het voorafgaande geboorteverloop
-         De tijd tussen het afkalven en het afkomen van de nageboorte
-         Het tijdstip waarop de eerste tochtigheid na afkalven is opgetreden
-         De tochtigheidswaarneming
-         Het inseminatiebeleid
De periode vanaf eerste inseminatie tot het opnieuw drachtig worden. Deze periode wordt beïnvloed door:
Het inseminatiemoment: door een foutief gekozen inseminatiemoment kunnen de bevruchtingsresultaten tegenvallen
-         De tochtigheidswaarneming: na een inseminatie die niet geleid heeft tot dracht moeten de tochtigheden juist worden gesignaleerd
-         Het bevruchtend vermogen van het gebruikte sperma
-         Het inseminatiebeleid
2. Periode tussen afkalven en eerste inseminatie
De gemiddelde periode tussen afkalven en eerste inseminatie geeft aan of op tijd begonnen is met insemineren. Gestreefd moet worden naar een gemiddelde lengte van circa 60 dagen voor die dieren die meer dan één keer hebben afgekalfd.
3. Aantal inseminaties per geïnsemineerd dier
Het aantal inseminaties per geïnsemineerd dier wordt ook wel het inseminatiegetal genoemd. Dit kengetal wordt berekend om het aantal gebruikte inseminaties te beoordelen. Gemiddeld worden per pink 1,5 inseminaties uitgevoerd. Bij oudere dieren is dat 1,6 tot 1,7. Naast het inseminatiegetal wordt ook vaak het efficiëntiegetal berekend. Het efficiëntiegetal geeft het aantal inseminaties per drachtig geworden dier weer.
4. Percentage drachtige dieren na 1e inseminatie
Het percentage dieren na eerste inseminatie wordt berekend om te beoordelen of het gebruikte sperma goed bevrucht. Met dit kengetal kan ook worden beoordeeld op de dieren die voor inseminatie worden aangeboden goed vruchtbaar zijn. Landelijk wordt een streefwaarde van 60 % aangehouden. Dit kengetal kan worden berekend na vaststelling van de drachtigheid door de dierenarts.
Een andere mogelijkheid voor het berekenen van dit kengetal is door aan te nemen dat dieren die binnen 56 dagen na eerste inseminatie niet opnieuw tocht zijn gezien, drachtig zijn. Dit kengetal wordt ook wel het  ‘Non-returnpercentage 56 dagen’ genoemd.
5. Percentage tochtigheidssignalering
Met het percentage tochtigheidssignalering kan worden beoordeeld of de veehouder veel tochtigheden niet waarneemt. Van het totaal aantal waar te nemen tochtigheden dient minimaal 60 % te worden gesignaleerd.
 6. Percentage afgevoerde dieren door
Bovengenoemde vijf kengetallen kunnen sterk worden beïnvloed door koeien die niet snel drachtig worden van het bedrijf af te voeren. Een vruchtbaarheidsprobleem op een bedrijf kan in dat geval niet gesignaleerd worden. Daarom moet ook altijd het percentage afvoer door vruchtbaarheidsproblemen worden beoordeeld. Dit percentage mag niet hoger zijn dan 5 % ten opzichte van het totaal aantal aanwezige koeien.
(Anonymous, 1997)
Ik ben Marieke van Meijl en ik ben een derdejaars student aan de Hoger Agrarische School Den Bosch. Ik volg de opleiding Dier- en Veehouderij, met als afstudeerrichting Dierhouderij en diergezondheidszorg.

In het derde jaar van de opleiding wordt de studenten de mogelijkheid geboden om drie stages te lopen. Twee stages daarvan zijn een periferiestage, één daarvan is een meewerkstage. Dit rapport is tot stand gekomen in het kader van een periferiestage. Het onderzoek wordt uitgevoerd op Praktijkcentrum Cranendonck. Ik heb voor dit bedrijf gekozen, omdat ik graag op een melkveehouderij mijn periferiestage wilde lopen. Het praktijkcentrum is daarbij extra interessant, omdat er meer gebeurd dan op een ‘gewoon’ melkveebedrijf. Zo heb ik in mijn stageperiode meegeholpen aan verschillende proeven, maar ook heb ik meegeholpen met de alledaagse dingen, zoals melken.

Ik heb het heel erg naar mijn zin gehad, de twaalf weken die ik op Cranendonck heb mogen doorbrengen. Hiervoor wil ik de medewerkers van Cranendonck ontzettend bedanken, zij hebben ervoor gezorgd dat mijn eerste periferiestage een succes was.

Ook wil ik Piet van Ast bedanken voor zijn begeleiding tijdens mijn stage.

Marieke van Meijl


Leende, 27 november 2003
wpf71ca2a8_1b.jpg