Kengetallen:
In deze paragraaf worden de kengetallen behandeld die bij een analyse van de vruchtbaarheid op een bedrijf van belang zijn.
1. Tussenkalftijd.
Het kengetal tussenkalftijd geeft het aantal dagen weer die tussen twee afkalvingen zit.
De tussenkalftijd geeft een eerste globale indruk van de vruchtbaarheid van het melkvee op een bedrijf. Een bedrijf moet streven naar een gemiddelde tussenkalftijd van 365 tot 390 dagen, waarbij bedrijfsomstandigheden het optimum bepalen. De tussenkalftijd is uit twee perioden opgebouwd:
De periode van afkalven tot eerste inseminatie. Deze periode wordt beïnvloed door:
         Het voorafgaande geboorteverloop.
         De tijd tussen het afkalven en het afkomen van de nageboorte.
         Het tijdstip waarop de eerste tochtigheid na afkalven is opgetreden.
         De tochtigheidswaarneming.
         Het inseminatiebeleid.
De periode vanaf eerste inseminatie tot het opnieuw drachtig worden.
Deze periode wordt beïnvloed door:
Het inseminatiemoment: door een foutief gekozen inseminatiemoment kunnen de bevruchtingsresultaten tegenvallen.
De tochtigheidswaarneming: na een inseminatie die niet geleid heeft tot dracht moeten de tochtigheden juist worden gesignaleerd.
Het bevruchtend vermogen van het gebruikte sperma.
Het inseminatiebeleid.
2. Periode tussen afkalven en eerste inseminatie.
De gemiddelde periode tussen afkalven en eerste inseminatie geeft aan of op tijd begonnen is met insemineren. Gestreefd moet worden naar een gemiddelde lengte van circa 60 dagen voor die dieren die meer dan één keer hebben afgekalfd.
3. Aantal inseminaties per geïnsemineerd dier.
Het aantal inseminaties per geïnsemineerd dier wordt ook wel het inseminatiegetal genoemd. Dit kengetal wordt berekend om het aantal gebruikte inseminaties te beoordelen. Gemiddeld worden per pink 1,5 inseminaties uitgevoerd. Bij oudere dieren is dat 1,6 tot 1,7. Naast het inseminatiegetal wordt ook vaak het efficiëntiegetal berekend. Het efficiëntiegetal geeft het aantal inseminaties per drachtig geworden dier weer.
4. Percentage drachtige dieren na 1e inseminatie.
Het percentage dieren na eerste inseminatie wordt berekend om te beoordelen of het gebruikte sperma goed bevrucht. Met dit kengetal kan ook worden beoordeeld op de dieren die voor inseminatie worden aangeboden goed vruchtbaar zijn. Landelijk wordt een streefwaarde van 60 % aangehouden. Dit kengetal kan worden berekend na vaststelling van de drachtigheid door de dierenarts of inseminator.
Een andere mogelijkheid voor het berekenen van dit kengetal is door aan te nemen dat dieren die binnen 56 dagen na eerste inseminatie niet opnieuw tocht zijn gezien, drachtig zijn. Dit kengetal wordt ook wel het  ‘Non-returnpercentage 56 dagen’ genoemd.
5. Percentage tochtigheidssignalering.
Met het percentage tochtigheidssignalering kan worden beoordeeld of de veehouder veel tochtigheden niet waarneemt. Van het totaal aantal waar te nemen tochtigheden dient minimaal 60 % te worden gesignaleerd.
6. Percentage afgevoerde dieren door vruchtbaarheidsproblemen.
Bovengenoemde vijf kengetallen kunnen sterk worden beïnvloed door koeien die niet snel drachtig worden van het bedrijf af te voeren. Een vruchtbaarheidsprobleem op een bedrijf kan in dat geval niet gesignaleerd worden. Daarom moet ook altijd het percentage afvoer door vruchtbaarheidsproblemen worden beoordeeld. Dit percentage mag niet hoger zijn dan 5 % ten opzichte van het totaal aantal aanwezige koeien.
(Anonymous, 1997)