wp29dd7d0f.png
3.3. Plaats van insemineren

Als de te insemineren dieren niet afgezonderd worden, is de kans groter dat er geen bevruchting plaatsvindt. De tochtige koe wordt constant dor koppelgenoten besprongen en is hierdoor onrustig. Het is daarom belangrijk dat tochtige koeien uit de koppel worden gehaald.

wpd2e6ba33.jpg wp47f2e115.jpg
Dieren die geïnsemineerd moeten worden, worden bij voorkeur apart gehouden van koppelgenoten zodat zij niet besprongen kunnen worden. Zij moeten wel (oog)contact met de koppel kunnen houden, zodat de koe rustig blijft. (Ter Wee, 1995)
Ook is het verstandig om de koe tijdens de inseminatie vast te zetten zodat deze in alle rust uitgevoerd kan worden.
Stress is altijd nadelig op het bevruchtingsresultaat.


3.4. Bevruchtend vermogen van gebruikte stieren

wp0c509c0d_1b.jpg wp41086089.jpg

De huidige winnings-, verdunnings, en invriestechnieken hebben het mogelijk gemaakt dat de sperma van goed verervende stieren breed kan worden ingezet. Toch kunnen deze technieken

niet voorkomen dat het sperma een deel van het bevruchtend vermogen verliest. De achteruitgang in het bevruchtend vermogen verschilt van stier tot stier. Hier moet wel bij worden opgemerkt dat de kwaliteit van het sperma wordt getest op de KI-stations. Hiermee wordt voorkomen dat sperma met een erg laag bevruchtend vermogen wordt ingezet.

Indien getwijfeld wordt aan de kwaliteit van het gebruikte sperma, worden de non-returnpercentages van de stieren met elkaar vergeleken. Deze non-returnpercentages worden jaarlijks gepubliceerd. Indien veel stieren gebruikt worden met een laag non-returnpercentage kan een andere stierkeuze overwogen worden. (Ter Wee, 1995)

wp8a17fd32.png
wpc0c5557f_1b.jpg
wped4f64b1.jpg
wpb628275b.gif